Reglementen

 SPEL- EN ARBITRAGEREGLEMENT

INHOUD

HOOFDSTUK I - ALGEMEEN

artikel

5000 Algemeen

5001 Begripsbepalingen

5002 Afdelingen van dit reglement

5003 Toe te passen bepalingen

AFDELING I - SPELREGLEMENT

HOOFDSTUK II - MATERIAAL

artikel

5100 Algemeen

5101 Biljarts

5102 Biljartballen; biljartkrijt

5103 Keu; vork

5104 Acquits; banden; afstootlijn en benaming acquits

5105 Verlichting

5106 Scoreborden

5107 Beproeven van het materiaal

HOOFDSTUK III - SPELREGELS GELDEND VOOR ALLE SPELSOORTEN

artikel

5201 Begin van een partij

5202 Inspeeltijd en keuzetrekstoot

5203 Toewijzing van de speelballen; aanspeelballen

5204 Beginpositie

5205 Onderbreking van een partij

5206 Einde van een partij

5207 Carambole

5208 Vastliggende ballen; uitgesprongen ballen

5209 Fouten

HOOFDSTUK IV - SPELREGELS GELDEND VOOR DE AANGEGEVEN SPELSOORT

Groep A: KLEIN-biljart

artikel

 A1: Libre-KLEIN

5301 Omschrijving

5302 Verboden zones

5303 Vastliggende ballen; uitgesprongen ballen

 A2: Kaderspelen

5311 Kaderlijnen; kadervakken; ankers

5312 Posities

5321 Kader 38/2 en ankerkader 38/2

5325 Ankerkader 57/2

5326 Kader 57/1

 A3: Bandspelen

5331 Bandstoten-KLEIN

5341 Driebanden-KLEIN

groep B: GROOT-biljart

 B1: Libre-GROOT

5401 Omschrijving

5402 Verboden zones

5403 Vastliggende ballen; uitgesprongen ballen

 B2: Kaderspelen

5411 Kaderlijnen; kadervakken; ankers

5421 Ankerkader 47/2 en ankerkader 71/2

5425 Ankerkader 47/1

 B3: Bandspelen

5431 Bandstoten-GROOT

5441 Driebanden-GROOT

AFDELING II - ARBITRAGEREGLEMENT

artikel

5501 Begripsbepalingen

5502 Taken van de arbiter

5503 Bevoegdheden van de arbiter

5504 Optreden van de arbiter

5505 Tellen; annonceren

5506 Constateren van fouten

5507 Herzien van beslissingen

5508 Overige rechten en plichten van arbiters

HOOFDSTUK V: SLOTBEPALINGEN VAN HET SPEL- EN ARBITRAGEREGLEMENT

artikel

5701 Protesten

5702 Onvoorziene gevallen

5703 Inwerkingtreding van dit reglement; wijzigingen

AANHANGSELS

A Acquits; benaming van de acquits en banden; afstootlijn; verboden zones; kaderlijnen,

ankerlijnen; posities en afmetingen

SPEL- EN ARBITRAGEREGLEMENT

HOOFDSTUK I

ALGEMEEN

Artikel 5000

Algemeen

1. In het Spel- en Arbitragereglement mogen alleen bepalingen worden opgenomen.

Het kan gewenst of noodzakelijk zijn door het geven van een voorbeeld of een

toelichting een bepaling te verduidelijken. In deze toelichtingen wordt getracht het niet

of verkeerd begrijpen van bepalingen zoveel mogelijk te voorkomen.

2. Toelichtingen zijn cursief gedrukt en bij het betreffende artikel opgenomen.

3. Worden in deze toelichtingen bepaalde voor arbiters bestemde uitvoeringsregels of

gedragsregels opgenomen, dan dienen deze regels door hen te worden toegepast. Een

ieder, wedstrijdleiding, speler als arbiter, weet dan hoe moet worden gehandeld en

waarom dat zo gebeurt.

Artikel 5001

Begripsbepalingen

1. Op dit Spel- en Arbitragereglement, verder aangeduid met SAR, zijn de bepalingen

van de Statuten, Algemeen reglement, Sectiereglement, de bijlage van de Sectie

Carambole en de begripsbepalingen opgenomen in artikel 6001 en 6013 van het

Wedstrijdreglement van toepassing.

2. Waar in dit reglement wordt verwezen naar sectiebestuur, daar heeft dat betrekking op

het sectiebestuur van de sectie onder wiens verantwoording de desbetreffende

wedstrijdactiviteiten worden georganiseerd.

Artikel 5002

 

 

 

Afdelingen van dit reglement

 

 

 

 

 

 

 

1. Het SAR bestaat uit twee afdelingen:

 

 

 

- afdeling I: het spelreglement

 

 

 

- afdeling II: het arbitragereglement

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 5003

 

 

 

Toe te passen bepalingen

 

 

 

 

 

 

 

* 1. De spel- en arbitrageregels, opgenomen in dit reglement, dienen bij alle officiële

 

wedstrijden te worden toegepast.

 

 

 

2. In afwijking van het gestelde in lid 1 kan het sectiebestuur voor alle

 

kampioenschappen, dan wel met name genoemde kampioenschappen of onderdelen

 

daarvan, bepalen, dat van dit reglement wordt afgeweken.

 

 

 

 De afwijkende bepalingen worden jaarlijks, vóór het begin van het wedstrijdseizoen,

 

dan wel in de loop van het seizoen voor het begin van het desbetreffende kampioen-

 

schap of onderdeel daarvan, gepubliceerd in een officiële mededeling.

 

 

 

3. Voor de spelsoort artistiek gelden de bepalingen van het Reglement Biljart Artistiek

 

(RBA).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5003, lid 1

 

 

 

Het toepassen van de in het Spel- en Arbitragereglement opgenomen regels bij niet officiële

 

wedstrijden wordt wel geadviseerd, maar is geen eis.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

AFDELING I

 

 

 

SPELREGLEMENT

 

 

 

 

 

 

 

HOOFDSTUK II

 

 

 

 

 

 

 

MATERIAAL

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 5100

 

 

 

Algemeen

 

 

 

 

 

 

 

1. De verantwoordelijkheid voor het ter beschikking gestelde materiaal en het

 

respecteren van de eisen die aan het gebruik daarvan moeten worden gesteld, is een

 

zaak van de organisatoren en de wedstrijdleiding.

 

 

 

2. De arbiter is hiervoor niet verantwoordelijk en heeft dientengevolge hierbij geen

 

bevoegdheden. De arbiter dient vóór de aanvang van een partij te controleren of het

 

materiaal in goede staat is.

 

 

 

 Hij informeert de wedstrijdleiding als het materiaal moet worden verbeterd (bij

 

voorbeeld als dat moet worden schoongemaakt) of moet worden vervangen.

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 5101

 

 

 

Biljarts

 

 

 

 

 

 

 

1. Een biljart is een spelattribuut, gevormd door een of meer platen, rondom afgebakend

 

met in een omlijsting gevatte banden.

 

 

 

2. Het speelvlak tussen de banden dient zuiver waterpas te zijn opgesteld en moet een

 

van de volgende afmetingen hebben: 2.845 x 1.4225 m (GROOT-biljart) of 2.30 x

 

1.15 m. (KLEIN-biljart)

 

 

 

 De banden genoemd in lid 4 worden tot het speelvlak gerekend.

 

 

 

 De afmetingen 2.20 x 1.10 m of 2.10 x 1.05 m zijn ook als KLEIN-biljart

 

toegelaten, met in achtneming van het bepaalde in het WR, artikel 6021, lid 1 en

 

artikel 6033, lid 1.

 

 

 

* 3. De plaat(platen) dient(dienen) te bestaan uit lei of ander door de CSC goedgekeurd

 

materiaal, met een dikte van minimaal 45 mm.

 

 

 

 Bij gebruik van twee of meer platen dienen deze zodanig te zijn aangebracht dat er

 

tussen de platen geen ruimte en/of hoogteverschil bestaat.

 

 

 

4. De banden dienen van rubber of van ander door de CSC aanvaard materiaal te zijn

 

gemaakt.

 

 

 

 De hoogte van het buigpunt van de banden ten opzichte van het vlakke gedeelte dient 36

 

tot 37 mm te bedragen.

 

 

 

5. De bovenkant van de omlijsting dient glad te zijn en donker van kleur. De bovenkant van

 

deze omlijsting moet bij een GROOT-biljart en mag bij andere biljarts zijn voorzien van

 

ingelegde witte merktekens, waarvan de uitvoering door de CSC is aanvaard en welke

 

onderling op gelijke afstand, gelijk aan 1/8e deel van de lengte van het speelvlak, zijn

 

aangebracht.

 

 

 

* 6. De plaat(platen) en banden dienen te zijn bedekt met een speciaal voor de biljartsport

 

gemaakt laken, welk laken door de CSC dient te zijn aanvaard. Het laken dient groen

 

of een andere door de CSC aanvaarde kleur te zijn. Een laken mag niet in die mate

 

versleten of beschadigd zijn dat - naar redelijke maatstaven gemeten - de beoefening

 

van de biljartsport ernstig wordt belemmerd.

 

 

 

7. Een biljart dient zodanig te worden geplaatst dat het laken niet vochtig of klam kan

 

worden. Kan dit vochtig of klam worden door de inrichting van de zaal waarin het

 

 

 

 

 

biljart is geplaatst niet worden voorkomen, dan dient een biljart te zijn voorzien van

 

een installatie die dat wel kan voorkomen.

 

 

 

8. De hoogte van het biljart, gemeten van de grond tot de bovenkant van de omlijsting,

 

dient 75 tot 80 cm te bedragen.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5101, lid 3

 

 

 

Worden meer dan één leiplaat gebruikt, dan dienen deze zo te worden gelegd dat er geen

 

richel kan ontstaan als nadien daarover het laken wordt aangebracht. Zelfs een gering

 

hoogteverschil veroorzaakt zo'n richel, waardoor de loop van de ballen ontoelaatbaar wordt

 

beïnvloed.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5101, lid 6

 

 

 

Het kan voorkomen dat de eigenaar van een biljart uit economische motieven een gebruikt

 

biljartlaken wil laten keren. Een gekeerd laken belemmert de goede beoefening van de biljart-

 

sport.

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 5102

 

 

 

Biljartballen; biljartkrijt

 

 

 

 

 

 

 

* 1. In een partij van een officiële wedstrijd worden sets van drie ballen gebruikt. Een set

 

bestaat uit een rode, een witte en een gele bal, of uit een rode en twee witte ballen.

 

 

 

 Deze drie ballen dienen zuiver rond en onderling van gelijke afmetingen en gewicht te

 

zijn.

 

 

 

 Alleen door de CSC aanvaarde merken en typen biljartballen mogen worden gebruikt.

 

 

 

2. De middellijn van een bal is 61 tot 62 mm.

 

 

 

3. Het gewicht van een bal dient tussen de 205 en 220 gram te liggen.

 

 

 

 Een gewichtsverschil tussen de in lid 1 bedoelde ballen van maximaal 1 gram tussen

 

de lichtste en zwaarste van deze drie ballen is toegelaten.

 

 

 

* 4. Worden twee witte ballen gebruikt dan moet op één van de witte ballen een niet of

 

moeilijk uit te wissen merkteken aan beide uiteinden van een middellijn zijn

 

aangebracht. Worden een gele en een witte bal gebruikt en is het gebruik van een

 

merkteken, naar het oordeel van de arbiter, gewenst, dan moet dit merkteken op de

 

gele bal zijn aangebracht.

 

 

 

 De wijze van aanbrengen en de vorm van het merkteken dient door de CSC te zijn

 

toegelaten.

 

 

 

 De van een merkteken voorziene bal en - bij gebruik van een gele bal zonder

 

merkteken - de gele bal worden gemerkte bal genoemd.

 

 

 

5. De CSC is bevoegd te bepalen met welk merken en typen ballen in door haar aan te

 

wijzen officiële wedstrijden dient te worden gespeeld.

 

 

 

6. Het krijt, aan te brengen op de pomerans van de keu, dient speciaal voor dat doel te

 

zijn gemaakt.

 

 

 

* 7. Het gebruik van stoffen waardoor het biljart of de ballen vettig worden of op meer dan

 

normale wijze worden verontreinigd is niet toegestaan.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5102, lid 1

 

 

 

Goedgekeurde merken biljartballen verschillen onderling van kwaliteit. Het verdient

 

aanbeveling steeds dezelfde ballen op hetzelfde biljart te gebruiken. Vermeldt men op de doos

 

waarin de ballen worden bewaard het nummer van het desbetreffende biljart, dan kan men

 

gemakkelijk aan dit advies voldoen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5102, lid 4

 

 

 

Na invoering van het gebruik van een gele bal bleek, dat kleurenblinden moeite hebben om de

 

rode bal en de gele bal te onderscheiden. Op verzoek van een desbetreffende speler kan de

 

arbiter de gele bal daarom door middel van een viltstift (laten) voorzien van een merkteken.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5102, lid 7

 

 

 

Wrijft een speler zijn handen met talkpoeder in, dan komt dat poeder ook op het laken. Dat

 

laken wordt daardoor vettig en daarom mag talkpoeder of andere vettige stoffen niet worden

 

gebruikt. Geadviseerd wordt zemelen of water ter beschikking van de spelers te stellen,

 

alsmede een droge handdoek waarmede de spelers hun handen weer kunnen reinigen.

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 5103

 

 

 

Keu; vork

 

 

 

 

 

 

 

* 1. De keu is een ronde stok, aan het dunste uiteinde voorzien van een leren dopje

 

pomerans genaamd.

 

 

 

 De vork, ook wel bok genaamd, is een ronde stok, aan één van de uiteinden voorzien

 

van een opstaande rand waarin uitsparingen zijn aangebracht.

 

 

 

 De vorm en uitvoering van de vork moeten door de CSC zijn goedgekeurd. In één van

 

de uitsparingen kan de top van de keu rusten.

 

 

 

2. Een speler heeft het recht gebruik te maken van elke hem ter beschikking staande keu

 

of vork.

 

 

 

3. Bij het uitvoeren van een stoot mag een speler, ter vervanging van de voorhand, van

 

de vork gebruik maken.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5103, lid 1

 

 

 

Is een keu niet voorzien van een pomerans, dan kan een speler met die keu geen geldige

 

carambole maken. Stoot hij toch met zo'n keu af, dan maakt hij touché als bedoeld in artikel

 

5209.

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 5104

 

 

 

Acquits; banden; afstootlijn en benaming acquits

 

 

 

 

 

 

 

1. Acquits zijn de punten op het speelvlak, waarop de ballen worden geplaatst

 

overeenkomstig de in dit reglement opgenomen bepalingen.

 

 

 

2. De acquits worden aangegeven door zeer dun getekende kruisjes of stippen.

 

 

 

3. Op het speelvlak worden vijf acquits aangebracht, overeenkomstig tekening 1 in

 

aanhangsel A:

 

 

 

a. drie, die de lengteas van dat vlak in vier gelijke delen verdelen;

 

 

 

b. twee, die worden aangebracht aan weerszijden van de lengteas op een

 

denkbeeldige lijn die evenwijdig loopt aan de benedenband en door het in lid 4

 

omschreven benedenacquit.

 

 

 

 De afstand tussen elk van deze acquits en de lengteas is bij een speelvlak van

 

2.845 x 1.4225 m: 18,25 cm en bij alle andere speelvlakken 15 cm.

 

 

 

4. De in lid 3 genoemde acquits worden als volgt aangeduid:

 

 

 

benedenacquit : het middelste acquit op de afstootlijn;

 

 

 

linkeracquit : het acquit links naast het benedenacquit;

 

 

 

rechteracquit : het acquit rechts naast het benedenacquit;

 

 

 

middenacquit : het middelste acquit op de lengteas;

 

 

 

bovenacquit : het acquit het dichtst bij de bovenband.

 

 

 

5. De bij lid 3, sub b omschreven denkbeeldige lijn wordt verder afstootlijn genoemd.

 

 

 

 

 

6. De banden worden als volgt aangeduid:

 

 

 

benedenband : de korte band het dichtst bij de afstootlijn;

 

 

 

bovenband : de korte band het verst van de afstootlijn;

 

 

 

linkerband : de lange band links van de afstootlijn;

 

 

 

rechterband : de lange band rechts van de afstootlijn.

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 5105

 

 

 

Verlichting

 

 

 

 

 

 

 

1. De verlichting van het speelvlak van een biljart waarop een officiële wedstrijd wordt

 

gespeeld moet aan de volgende eisen voldoen:

 

 

 

* a. de minimum verlichtingssterkte dient 560 lux te zijn. Deze verlichtingssterkte

 

wordt verkregen bij gebruik van melkwitte lampen van ten minste 100 Watt of

 

van energiezuinige lampen met minimaal dezelfde verlichtingssterkte, die op een

 

afstand van 80 cm boven het speelvlak zijn aangebracht.

 

 

 

* b. De kappen van de armaturen waarin de lampen zijn aangebracht, dienen aan de

 

binnenkant wit te zijn.

 

 

 

c. Boven het speelvlak van een GROOT-biljart dienen drie lampen te zijn

 

aangebracht en boven het speelvlak van een KLEIN-biljart dienen tenminste twee

 

lampen te zijn aangebracht.

 

 

 

 De lampen dienen voorts zodanig te zijn aangebracht, dat het gehele speelvlak

 

zoveel mogelijk gelijkmatig wordt verlicht en een speler door de verlichting niet

 

op onredelijke wijze wordt gehinderd.

 

 

 

2. Van het gebruik van energiezuinige lampen, zoals vermeldt in dit artikel lid 1 sub a,

 

kan in de twee hoogste klassen worden afgeweken.

 

 

 

3. De verlichting buiten de speelruimte mag niet hinderlijk zijn voor de spelers.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5105, lid 1 sub a

 

 

 

Met de in dit artikel genoemde 80 cm. wordt de minimale afstand tussen de onderzijde van

 

een armatuur en het speelvlak aangegeven. Een maximum verlichtingssterkte wordt bewust

 

niet voorgeschreven omdat TV-technici een bepaalde lichtsterkte nodig hebben voor TV-

 

opnamen. Dit houdt echter niet in, dat die speciale verlichting zodanig mag zijn dat de spelers

 

daardoor gehinderd worden. Dienen spelers terecht tegen een hinderlijke verlichting

 

protesten in, dan moet de verlichtingssterkte worden aangepast.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5105, lid 1 sub b

 

 

 

De armaturen dienen zodanig te zijn aangebracht, dat, indien de speler bij bepaalde stoten

 

door die armaturen zou kunnen worden gehinderd, deze door de arbiter gemakkelijk opzij

 

kunnen worden gehouden. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat de kap van

 

een armatuur behoorlijk heet kan zijn. De arbiter dient eerst de kap rechtstandig omhoog en

 

vervolgens opzij te bewegen.

 

 

 

Hij moet er voorts op letten dat het licht niet in de ogen van de speler schijnt, maar ook het

 

licht voor de speler niet wegneemt.

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 5106

 

 

 

Scoreborden

 

 

 

 

 

 

 

1. Worden scoreborden gebruikt, dan dient daarop de stand van de partijen, alsmede het

 

aantal gebruikte beurten, nauwkeurig te worden bijgehouden.

 

 

 

2. Worden elektronische scoreborden gebruikt, dan moeten deze borden bij defect raken

 

zo nodig door met de hand te bedienen scoreborden kunnen worden vervangen.

 

 

 

 

 

Artikel 5107

 

 

 

Beproeven van het materiaal

 

 

 

 

 

 

 

* 1. Voor de officiële opening van een eindstrijd van een kampioenschap mag een

 

deelnemer - voor zover het mogelijk is dat te voorkomen - het materiaal niet

 

beproeven.

 

 

 

 De CSC is bevoegd het beproeven van het materiaal toe te staan, mits dit op de

 

morgen van de eerste wedstrijddag en vóór de aanvang van de wedstrijd geschiedt.

 

 

 

 Deze maatregel dient tijdig aan alle deelnemers te worden bekend gemaakt.

 

 

 

* 2. Wordt een biljart, te gebruiken bij de eindstrijd van een kampioenschap, voorzien van

 

nieuwe en daardoor nog niet ingespeelde banden, dan dienen de organisatoren er voor

 

te zorgen dat een of meer spelers, niet zijnde de deelnemers aan die eindstrijd,

 

gedurende ongeveer een uur op dat biljart spelen.

 

 

 

 De CSC is bevoegd voor één of meer officiële wedstrijden van het in de vorige zin

 

bepaalde af te wijken, mits dit tevoren is aangekondigd.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5107, lid 1

 

 

 

Wordt een kampioenschap in een voor publiek toegankelijk lokaal gehouden, dan kan men

 

niet altijd voorkomen dat een deelnemer, bijvoorbeeld een of twee dagen tevoren en zonder

 

zich als zodanig bekend te maken, een biljart huurt en daarop gaat spelen. Daarom geen

 

stringent verbod, maar wel de wens dat zoveel mogelijk wordt voorkomen, dat spelers vóór de

 

aanvang van een kampioenschap het materiaal kunnen beproeven.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5107, lid 2

 

 

 

Het bepaalde in dit lid biedt de mogelijkheid de banden "los" te spelen. Het gaat dus niet om

 

het laten spelen van een serieuze partij, maar alleen om er voor te zorgen dat het materiaal al

 

vanaf de eerste partij zo goed mogelijk zal zijn. Voor dat doel leent zich het best de spelsoort

 

driebanden.

 

 

 

Het is duidelijk dat voor het losspelen van de banden niet een of meer deelnemers aan de

 

desbetreffende eindstrijd mogen worden ingeschakeld.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HOOFDSTUK III

 

 

 

 

 

 

 

SPELREGELS GELDEND VOOR ALLE SPELSOORTEN

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 5201

 

 

 

Begin van een partij

 

 

 

 

 

 

 

1. De partij is begonnen nadat de arbiter de spelers voor het uitvoeren van het tossen

 

heeft uitgenodigd.

 

 

 

 Het tossen dient te geschieden door een muntstuk in één van beide handen te nemen

 

en een speler een keuze te laten maken. De speler welke de hand met de munt heeft

 

gekozen bepaalt wie begint met inspelen.

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 5202

 

 

 

De keuzetrekstoot en de inspeeltijd

 

 

 

 

 

 

 

* 1. Iedere deelnemer heeft het recht gedurende vier minuten, direct na het tossen

 

voorafgaande aan elke door hem te spelen partij, in te spelen.

 

 

 

 De CSC is bevoegd voor één of meerdere officiële wedstrijden van het in de vorige

 

zin bepaalde af te wijken, mits dit van tevoren is aangekondigd.

 

 

 

* 2. Het recht van inspelen komt te vervallen als de speler niet vijftien minuten vóór de

 

vastgestelde aanvangstijd van zijn partij speelbereid in de wedstrijdzaal aanwezig is.

 

 

 

* 3. Gedurende de inspeeltijd zijn de spelregels niet, maar de gedragsregels wel van

 

toepassing.

 

 

 

De inspeeltijd eindigt, nadat de arbiter de drie ballen in de positie voor het uitvoeren

 

van de keuzetrekstoot heeft geplaatst.

 

 

 

* 4. Voor het uitvoeren van de keuzetrekstoot wordt de rode bal op het bovenacquit en de

 

beide andere ballen op de afstootlijn geplaatst. Het plaatsen van de beide ballen op de

 

afstootlijn dient te geschieden op een afstand van ongeveer de helft van die tussen het

 

linkeracquit en de linkerband voor de gemerkte bal en van die tussen het rechteracquit

 

en de rechterband voor de andere bal.

 

 

 

* 5. De keuzetrekstoot dient door beide spelers gelijktijdig en rechtstreeks van de

 

bovenband te geschieden, zodanig dat de spelers met de hun toegewezen bal die band

 

eenmaal raken. De speler wiens bal het dichtst bij de benedenband tot stilstand komt,

 

ongeacht of deze band is geraakt, mag bepalen aan wie de beginstoot wordt

 

toegekend.

 

 

 

 Komen de ballen naar het oordeel van de arbiter op gelijke afstand van de bene-

 

denband tot stilstand dan dient de keuzetrekstoot opnieuw te worden uitgevoerd.

 

 

 

* 6. Raakt een van de spelers tijdens het uitvoeren van de keuzetrekstoot met de hem

 

toegewezen bal een andere bal, meer dan één keer de bovenband of geen enkele keer

 

de bovenband, dan bepaalt de andere speler aan wie de beginstoot wordt toegekend.

 

 

 

* 7. Raken de ballen elkaar tijdens de keuzetrekstoot zonder dat duidelijk kan worden

 

bepaald wie van de spelers daaraan schuld heeft; raken beide ballen de bovenband

 

meer dan één keer of geen van beide die bovenband, dan moet het bepaalde in lid 5

 

opnieuw worden toegepast.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5202, lid 1 en lid 2

 

 

 

Wordt gelijktijdig op meer dan een biljart gespeeld, dan dient op alle biljarts gelijktijdig met

 

het inspelen te worden begonnen. Hierdoor kunnen ook de partijen gelijktijdig beginnen. Het

 

tijdstip wordt bepaald door de arbiter die als zodanig bij biljart I zal optreden, tenzij de

 

wedstrijdleiding daarvoor een andere arbiter heeft aangewezen.

 

 

 

 

 

ad artikel 5202, lid 2

 

 

 

Een speler, die niet vijftien minuten voor een vastgestelde aanvangstijd van zijn partij

 

aanwezig is, verliest het recht van inspelen. Over het wel of niet te laat komen van een speler

 

beslist de wedstrijdleider als de partij nog niet is aangekondigd. Is de partij reeds

 

aangekondigd, dan beslist de arbiter, mits deze tijdig door de wedstrijdleider over dit feit is

 

geïnformeerd. De speler verliest het recht, hetgeen niet inhoudt dat degene die bevoegd is het

 

te laat komen te constateren, verplicht is hem dit recht te ontnemen (hij zal dit b.v. niet doen

 

als hij meent dat het te laat komen de speler niet is te verwijten).

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5202, lid 3

 

 

 

Gedurende de inspeeltijd zijn de spelregels niet, maar de gedragregels als bedoeld in artikel

 

5504 lid 4, wel van toepassing.

 

 

 

Een gedragsregel is bijvoorbeeld: toestemming vragen aan de arbiter om tijdens het

 

'inspelen' van de tegenstander naar het toilet te gaan, dit is toegestaan, het mag echter niet

 

buiten de toegestane inspeeltijd van zijn tegenstander vallen.

 

 

 

Deze ”onderbreking” is geen onderbreking in de zin van artikel 5205.

 

 

 

Het is gewenst dat de arbiter na drie minuten aankondigt dat nog één minuut mag worden

 

ingespeeld. Hij doet dit door tegen de speler te zeggen: ”u hebt nog één minuut inspeeltijd”.

 

Indien de speler vanaf dat moment nog (maximaal) drie acquitstoten wil uitvoeren, dan mag

 

de arbiter de speler behulpzaam zijn bij het in de beginpositie plaatsten van de ballen.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5202, lid 4

 

 

 

Zolang de arbiter de ballen nog niet voor de keuzetrekstoot heeft opgezet, mogen de

 

 

 

Spelers die ballen aanraken zoveel zij willen. Na het opzetten is dat niet meer toegestaan.

 

 

 

Behoudens bij de spelsoorten ankerkader 71/2, ankerkader 57/2 moet men eraan denken dat

 

 

 

de afstootlijn een denkbeeldige lijn is.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5202, lid 5

 

 

 

Rechtstreeks naar de bovenband stoten houdt in dat vóór het raken van die bovenband geen

 

andere band mag worden geraakt. Na het raken van die bovenband mogen andere banden

 

wel worden geraakt. Uiteraard is het onmogelijk dat beide spelers op een onderdeel van een

 

seconde af precies op hetzelfde moment afstoten. Stoot de tweede speler af voordat de bal van

 

de eerste speler de bovenband raakt, dan is aan de verplichting van gelijktijdig afstoten

 

voldaan, ten minste als beide spelers geacht kunnen worden te hebben aangelegd voor de

 

keuzetrekstoot.

 

 

 

Komen beide ballen ogenschijnlijk op dezelfde afstand van de benedenband tot stilstand, dan

 

dient de arbiter naar een andere zijde van het biljart te gaan, om opnieuw te bekijken welke

 

bal het dichtst bij de benedenband ligt. Vaak kan dan wel een verschil in afstand worden

 

vastgesteld.

 

 

 

Nimmer mag met hulpmiddelen (meten met een keu, meetlint e.d.) worden vastgesteld, welke

 

bal het dichtst bij die band ligt.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5202, lid 6

 

 

 

Maakt één van de spelers bij het uitvoeren van de keuzetrekstoot een fout, dan bepaalt de

 

andere speler aan wie de beginstoot wordt toegekend.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5202, lid 7

 

 

 

Maken beide spelers een fout, dan wijst de arbiter hen op die fout en laat vervolgens de

 

keuzetrekstoot nogmaals uitvoeren.

 

 

 

Maken beide spelers nadien weer een fout dan bepaalt de arbiter wie er begint.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 5203

 

 

 

Toewijzing van de speelballen; aanspeelballen

 

 

 

 

 

 

 

* De speler aan wie de beginstoot wordt toegekend speelt met de niet-gemerkte bal. Dit

 

annonceert de arbiter met: "De heer" of "Mevrouw" - gevolgd door de naam van de

 

speler - "begint".

 

 

 

 De andere speler speelt met de gemerkte bal. Wordt verder in dit reglement de

 

aanduiding speelbal gebruikt, dan wordt daarmee de bal van de aan de beurt zijnde

 

speler bedoeld.

 

 

 

 De beide andere ballen worden aanspeelballen genoemd.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5203

 

 

 

De arbiter annonceert "De heer" of "Mevrouw ... begint".

 

 

 

Andere annonces, zoals "De heer" of "Mevrouw ... speelt voor", zijn niet toegelaten.

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 5204

 

 

 

Beginpositie

 

 

 

 

 

 

 

* 1. Direct nadat de keuzetrekstoot is uitgevoerd en aangegeven is wie de beginstoot wordt

 

toegekend, plaatst de arbiter de ballen als volgt in de beginpositie:

 

 

 

a. de rode bal op het bovenacquit.

 

 

 

b. de aanspeelbal op het benedenacquit.

 

 

 

c. de speelbal op het rechteracquit, tenzij de speler vanaf het linkeracquit wenst af

 

te stoten.

 

 

 

* 2. Vanuit de beginpositie moet direct vanaf de rode bal worden gespeeld.

 

 

 

* 3. Moeten tijdens de partij of bij het einde van de partij, voor de gelijkmakende beurt als

 

bedoeld in artikel 5206 lid 2, de ballen opnieuw in de beginpositie worden geplaatst,

 

dan dient het bepaalde in lid 1 en lid 2 te worden toegepast.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5204, lid 1

 

 

 

Moet de gemerkte bal op een acquit worden geplaatst, dan moet die bal zo worden geplaatst,

 

dat de speler het merkteken kan zien. Het beste is de bal zo neer te leggen, dat het merkteken

 

boven op de bal komt te liggen.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5204, lid 2

 

 

 

Worden de ballen tijdens een partij opnieuw in de beginpositie geplaatst, dan dient de

 

eerstvolgende carambole te voldoen aan het bepaalde in artikel lid 5204, lid 2. Maakt de

 

speler een fout, dan is dit bepaalde niet van toepassing voor de tegenstander. Er is dan

 

immers geen sprake meer van een beginpositie.

 

 

 

 

 

 

 

ad artikel 5204, lid 3

 

 

 

Als tijdens een partij de ballen opnieuw in de beginpositie moeten worden geplaatst, dan mag

 

een speler de arbiter bij het herplaatsen van de ballen niet behulpzaam zijn.

 

 

 

Dit mag dus ook niet, als dat herplaatsen in de beginpositie nodig is omdat de speler nog

 

recht heeft op de gelijkmakende beurt. Leeft een speler deze bepaling niet na, dan moet hij

 

wegens touché worden afgeteld, ook al is hij nog niet met zijn beurt begonnen.

 

 

 

 

 

Meer →

Vrijdag 20 april Finale driebandentoernooi en bekeruitreiking van de competitie en driebandentoernooi aanvang 19.00 uur. Tevens SLUITINGSDATUM VOOR AANMELDEN COMPETITIE 2018-2019 en dit kunt U doen door het strookje achterin het boekje in te vullen .

Vrijdag 20 april Finale driebandentoernooi en bekeruitreiking van de competitie en driebandentoernooi  aanvang 19.00 uur. Tevens SLUITINGSDATUM VOOR AANMELDEN COMPETITIE 2018-2019 en dit kunt U doen door het strookje achterin het boekje in te vullen en in te leveren bij de wedstrijd leiders.    

Vorige pagina: Kurken Volgende pagina: Vereniging